poetRIE
0 Comments

20180129 – Het leven herbergt

20180129

het leven herbergt
niet alleen zoete dranken

de smaak van wijn
kan soms bitter zijn

Goede Vrienden zijn
als oude wijn
ze worden langzaam
dieper van kleur
en zoeter van smaak

maar als ze verdwijnen
blijft alleen een bittere nasmaak over

loslaten is altijd moeilijk
maar het kan niet anders

 

1
poetRIE
0 Comments

Bertolt Brecht : “De legende van de oorsprong van het boek Tao Te King op de weg van Lao-Tsu in de emigratie” (vertaling : Henri Vandenberghe)

1

Hij werd zeventig en was niet meer zo goed te been.
De meester smachtte ook steeds meer naar rust.
Omdat de Schoonheid van het leven om hem heen
Steeds meer van haar Kracht verloor en het goede uitgeblust
Omgordde hij zijn schoenen en ging heen.

2

Hij pakte alleen wat hij onderweg echt nodig had.
Dat was niet veel, genoeg om licht te reizen:
Zoals de pijp die hij gewoonlijk ’s avonds rookte,
Het boek waarin hij af en toe graag zat te lezen
En wat wit brood voor als hij honger had.

3

Hij wierp nog een laatste blik op de vallei
En vergat die dan als hij het bergpad insloeg.
Zijn os was op zoek naar vers gras in de wei
Om te herkauwen, terwijl hij de oude droeg.
De tred ging zo toch al snel genoeg.

4

Na vier dagen reizen van rots naar rots,
Hield een doeanier hen tegen en die vroeg plots:
“Heeft u waarden aan te geven?” – De wijze man zei “Nee”.
Maar de jongen, die de os leidde, zei: “Hij is wel geleerd.”
“En wijsheid mag over deze grens toch niet mee?”

5

De doeanier vroeg de jongen heel blij:
“Heeft hij jou ook iets geleerd? Vertel het mij.”
Waarop de jongen antwoordde: “Dat het zachte water
Met de tijd altijd de hardste rotsen overwint.
Hardheid houdt nooit stand tegen een zachte hand.

6

Om niet in het donker verder te moeten reizen
Trok de jongen de os langzaam vooruit.
Maar toen ze achter een donkere den verdwenen
Kwam de doeanier aangelopen en riep heel luid:
“Hela! Wacht eens even! Niet zo snel!”

7

“Zeg me eens, wat is dat met dat water wel?”
De oude man hield halt en vroeg: “Wilt u dat weten?”
Waarop de doeanier: “Ik ben misschien maar een ambtenaar
Maar te weten wie in ’t leven wint en wie verliest, dat wil ik zeker weten.
Als u me dat zou kunnen leren, doe dat nu dan maar.”

8

“Schrijf het voor me neer! Dicteer die jongen daar!
Zo’n wijsheid neemt men toch niet mee. Die moet hier blijven.
Ik heb thuis genoeg papier en inkt om te schrijven.
Een avondmaal maak ik voor u ook nog graag klaar.
Wel, gaan we akkoord? Ja? Wel, ik woon daar.”

9

De oude man keek schuin over zijn schouder
Naar de doeanier: versleten jas, blote voeten;
Zijn voorhoofd vol rimpels en sproeten.
Die ambtenaar leek niet echt een welstellend man.
En de wijze man mompelde: “Wel, goed dan”.

10

Om zo’n hoffelijk verzoek weg te wuiven
Was de oude man al veel te oud en wijs.
Daarom zei hij kordaat: “Zij die vragen stellen verdienen antwoorden.”
De jongen beaamde: “En het wordt al avond en koud.”
“Goed, laat ons dan hier een tijdje verblijven.”

11

De wijze man daalde voorzichtig van zijn os.
Zeven dagen lang schreven ze samen, de oude en de jongen.
De doeanier bracht hen eten (hij vloekte soms van binnen
Omdat de smokkelaars ondertussen vrij spel hadden in het bos).
Toen werd het tijd om aan de reis te herbeginnen.

12

De volgende ochtend overhandigde de jongen aan de doeanier
Wat ze geschreven hadden: eenentachtig bladzijden vol.
Ze dankten de ambtenaar voor zijn gastvrijheid
En verdwenen discreet achter een den de rotsweg op.
Geef toe: ze waren ook nog een voorbeeld in hoffelijkheid.

13

Wij moeten nu niet enkel die wijze man eren
Wiens naam op het boek geschreven staat.
Zijn wijsheid moest ook nog worden verkregen.
Daarom moeten we de doeanier bedanken.
Hij heeft het hem tenslotte ontfutseld.

 

 

22
poetRIE/Uncategorized
0 Comments

“Legende von der Entstehung des Buches Tao Te King auf dem Weg des Laotse in die Emigration” (Bertolt Brecht)

1

Als er Siebzig war und war gebrechlich
Drängte es den Lehrer doch nach Ruh
Denn die Güte war im Lande wieder einmal schwächlich
Und die Bosheit nahm an Kräften wieder einmal zu.
Und er gürtete die Schuh.

2

Und er packte ein, was er so brauchte:
Wenig. Doch es wurde dies und das.
So die Pfeife, die er abends immer rauchte
Und das Büchlein, das er immer las.
Weißbrot nach dem Augenmaß.

3

Freute sich des Tals noch einmal und vergaß es
Als er ins Gebirg den Weg einschlug
Und sein Ochse freute sich des frischen Grases
Kauend, während er den Alten trug.
Denn dem ging es schnell genug.

4

Doch am vierten Tag im Felsgesteine
Hat ein Zöllner ihm den Weg verwehrt:
Kostbarkeiten zu verzollen?” – “Keine.”
Und der Knabe, der den Ochsen führte, sprach: “Er hat gelehrt.”
Und so war auch das erklärt.

5

Doch der Mann in einer heitren Regung
Fragte noch: Hat er was rausgekriegt?
Sprach der Knabe: Daß das weiche Wasser in Bewegung
Mit der Zeit den harten Stein besiegt.
Du verstehst, das Harte unterliegt.

6

Daß er nicht das letzte Tageslicht verlöre
Trieb der Knabe nun den Ochsen an
Und die drei verschwanden schon um eine schwarze Föhre
Da kam plötzlich Fahrt in unsern Mann
Und er schrie: He, du! Halt an!

7

Was ist das mit diesem Wasser, Alter?
Hielt der Alte: Interessiert es dich?
Sprach der Mann: Ich bin nur Zollverwalter
Doch wer wen besiegt, das interessiert auch mich.
Wenn du’s weißt, dann sprich!

8

Schreib mir’s auf! Diktier es diesem Kinde!
So was nimmt man doch nicht mit sich fort.
Da gibt’s doch Papier bei uns und Tinte
Und ein Nachtmahl gibt es auch: ich wohne dort.
Nun, ist das ein Wort?

9

Über seine Schulter sah der Alte
Auf den Mann: Flickjoppe. Keine Schuh.
Und die Stirne eine einzige Falte.
Ach, kein Sieger trat da auf ihn zu.
Und er murmelte: Auch du?”

10

Eine höfliche Bitte abzuschlagen
War der Alte, wie es schien, zu alt.
Denn er sagte laut: Die etwas fragen
Die verdienen Antwort. Sprach der Knabe: Es wird auch schon kalt.
Gut, ein kleiner Aufenthalt.

11

Und von seinem Ochsen stieg der Weise
Sieben Tage schrieben sie zu zweit
Und der Zöllner brachte Essen (und er fluchte nur noch leise
Mit den Schmugglern in der ganzen Zeit).
Und dann war’s soweit.

12

Und dem Zöllner händigte der Knabe
Eines Morgens einundachtzig Sprüche ein.
Und mit Dank für eine kleine Reisegabe
Bogen sie um jene Föhre ins Gestein.
Sagt jetzt: kann man höflicher sein?

13

Aber rühmen wir nicht nur den Weisen
Dessen Name auf dem Buche prangt!
Denn man muß dem Weisen seine Weisheit erst entreißen.
Darum sei der Zöllner auch bedankt:
Er hat sie ihm abverlangt.

 

 

2
poetRIE
0 Comments

20171222 – De Zon Wendt De Winter

20171211

de zon wendt de winter
de winter wint en de zon trekt weg
de wind waait wild over de daken
’t is te warm vandaag
alsof ’t nog lente was

genieten van de geur van open haarden
het kan nog even
tot het verboden wordt
in dit tien maal tien maal tien verboden land
alsof het allemaal zo was gepland

miljoenen jaren
miljoenen mensen
die nu kerst en nieuwjaar wensen
en blijven paren
alsof de aarde nog niet vol genoeg was

0
poetRIE
2 Comments

20051127 – begeerte

20051127

begeerte

buigbaar nochtans
breekt toch weer dit mooie gewelf
de druk is zo groot
de drang zo onhoudbaar

begeerte haalt het peil omlaag
tot bijna hebzucht
vriendschap” zeg je
maar je maakt jezelf wat wijs
bezitsdrang is dit:

“je bent van mij”
“je bent mijn vriend”
“je komt in mijn huis”
“zit in mijn zetel”
“drinkt van mijn glas”

“zie je nu hoe vrijgevig ik ben”

0
poetRIE
0 Comments

19740129 – terwijl je – 20170313

19740129 – 20170313

terwijl je
nog meer
de aarde
omkeert
om de wormen
te verslaan

terwijl je
steeds weer
op dezelfde nagel
hamert
om misschien toch
iets te doen ontstaan

terwijl je
altijd verder
predikt
in een steenwoestijn
om toch maar
een bloem
te kunnen doen bloeien
al was het maar
één enkele

worden er
om jou
steeds meer
leugens verteld

worden er
van jou
steeds meer
exploten verwacht

en
worden er
door jou
steeds meer
flaters begaan

en
onherroepelijk
herhaald

0
%d bloggers liken dit: